De Verdieping is mede mogelijk gemaakt door HansLuyken.com

Marketing, content en strategie voor organisaties die vooruit willen.

Soms heb je tijdelijk extra ervaring nodig. Soms een frisse blik op je positionering, content of commerciële aanpak. Ik denk mee, pak aan en help het gewoon voor elkaar te krijgen.

Strategie én uitvoering.



Voor een paar honderd euro de criminaliteit in: wie trekt onze jongeren de straat op?




 

Van Snapchat tot explosie: hoe jongeren worden geronseld voor criminele klussen

Een berichtje via Snapchat. Een beloning van 350 euro. Een zestienjarige jongen die een explosief bij een pand plaatst en tot ontploffing brengt. Wat op het eerste gezicht lijkt op een daad van een jonge dader, blijkt ook het verhaal van een opdrachtgever die een minderjarige voor een gevaarlijke klus zou hebben geronseld. De zaak aan de Roggeveenstraat in Den Haag laat zien hoe snel een jongere betrokken kan raken bij ernstig geweld en hoe groot de afstand soms is tussen degene die het risico neemt en degene die de opdracht geeft.

Volgens het Openbaar Ministerie werd de zestienjarige in oktober 2025 via Snapchat benaderd. Hij zou 350 euro krijgen om een Cobra 6 bij een pand aan de Roggeveenstraat te plaatsen en aan te steken. Het vuurwerk werd bij hem thuis afgeleverd. Op 1 november 2025 vond de explosie plaats en kon de jongen op heterdaad worden aangehouden. De kinderrechter veroordeelde hem in februari tot 125 dagen jeugddetentie, waarvan 99 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van vijftig uur. In april eiste het OM vijf jaar gevangenisstraf tegen de toen achttienjarige Hagenaar die de opdracht volgens justitie had geregeld. Daarmee draaide de zaak niet alleen om de explosie, maar ook om de vraag of een minderjarige was uitgebuit voor criminele doeleinden.

De straat is niet meer alleen de straat

Wie denkt dat jongeren uitsluitend op straat worden aangesproken door oudere jongens met verkeerde bedoelingen, mist een belangrijk deel van het verhaal. De eerste benadering kan tegenwoordig ook via een telefoon komen, tussen gewone berichten, filmpjes en contacten met vrienden. Op sociale media verschijnen oproepen waarin mensen worden gezocht voor bepaalde klussen. De werkelijke opdracht blijft soms vaag totdat het gesprek verdergaat in privéberichten. Pas dan wordt duidelijk dat het niet gaat om een onschuldige bijverdienste, maar bijvoorbeeld om het vervoeren van drugs, het ophalen van goederen of het plaatsen van zwaar vuurwerk bij een woning.

Een onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam, Erasmus Universiteit Rotterdam en het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), gepubliceerd in april 2026, geeft een beeld van de omvang van die digitale benadering. De onderzoekers legden een vragenlijst voor aan 1.016 jongeren tussen de 16 en 27 jaar, analyseerden openbare Telegramgroepen en spraken met jongerenwerkers en jongeren die betrokken zijn bij criminaliteit of daar risico op lopen. Eén op de vijf ondervraagde jongeren had via sociale media weleens een oproep gezien voor drugs- of geweldsgerelateerde klussen. 6,1 procent zei zelf ooit online voor zo’n klus te zijn benaderd. De onderzoekers wijzen onder meer op Snapchat, TikTok en Instagram als kanalen waar zulke contacten ontstaan. Telegram komt naar voren in de analyse van openbare oproepen.

Die cijfers vragen om nuance. Ze betekenen niet dat één op de vijf jongeren crimineel is of dat iedere oproep leidt tot een strafbaar feit. Het onderzoek laat juist zien dat tachtig procent van de ondervraagden zulke oproepen niet had gezien. Wel maakt het duidelijk dat sociale media de mogelijkheden vergroten om buiten het eigen netwerk nieuwe contacten te leggen. Jongeren die al via vrienden, familie of buurtgenoten met criminaliteit in aanraking komen, kunnen online verder worden benaderd of voor een volgende stap worden ingezet. De digitale wereld vervangt het netwerk op straat dus niet, maar kan het wel uitbreiden.

Waarom zegt een jongere ja?

Voor een volwassene kan het onbegrijpelijk lijken dat iemand een explosief bij een woning plaatst voor een paar honderd euro. De risico’s zijn enorm: iemand kan gewond raken of omkomen, woningen kunnen beschadigd worden en een jongere kan zijn toekomst ernstig in gevaar brengen. Toch kan zo’n aanbod voor een jongere aantrekkelijk lijken, zeker wanneer snel geld verdienen belangrijker voelt dan de gevolgen op langere termijn.

Geld is niet de enige mogelijke verklaring. Status, erbij willen horen, indruk maken op vrienden, druk vanuit de omgeving en de belofte van een snelle beloning kunnen allemaal een rol spelen. Ook problemen thuis, schooluitval, schulden in het gezin of weinig vertrouwen in een toekomst met opleiding en werk kunnen jongeren kwetsbaarder maken. Dat zijn geen verklaringen die voor iedere jongere gelden en ze maken een strafbaar feit niet minder ernstig. Ze helpen wel om te begrijpen waarom de ene jongere een aanbod afwijst en de andere erop ingaat.

De eerste opdracht kan bovendien worden voorgesteld als iets kleins. Een pakketje ophalen, ergens iets afleveren of een bericht doorgeven klinkt anders dan het plaatsen van een explosief. Als een jongere eenmaal een eerste stap heeft gezet, kan het moeilijker worden om terug te keren. Er kunnen nieuwe opdrachten volgen, er kan druk ontstaan en degene die de klus uitvoert, kan afhankelijk raken van de mensen die hem benaderen. De opdrachtgever blijft daarbij soms buiten beeld, terwijl de jongere die op straat wordt aangehouden het directe risico draagt.

Den Haag ziet de gevolgen

Dat dit geen abstract probleem is, blijkt uit de Haagse cijfers over explosies. Volgens de gemeente Den Haag werden in 2025 78 aanslagen of aanslagpogingen met explosieven geregistreerd, tegenover 107 in 2024. Dat is een daling van ruim een kwart, maar het aantal incidenten blijft aanzienlijk. In Den Haag Zuid werden 53 incidenten geteld, in Centrum vijftien en in West tien.

Bij de incidenten uit 2025 werden 23 verdachten opgepakt, van wie er acht minderjarig waren. De gemeente meldt dat opdrachtgevers jongeren via tussenpersonen benaderden. Dat gegeven raakt aan de kern van het probleem: bij een explosie gaat het niet alleen om degene die het explosief plaatst, maar ook om de mensen die de opdracht bedenken, organiseren en laten uitvoeren.

De cijfers over explosies vertellen niet hoeveel jongeren in Den Haag in andere vormen van criminaliteit terechtkomen. Ze laten wel zien hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn wanneer minderjarigen voor geweld worden ingezet. Achter ieder incident zitten bewoners die zich onveilig kunnen voelen, schade aan woningen of winkels en mogelijk langdurige gevolgen voor slachtoffers en hun omgeving.

Worden jongeren steeds jonger crimineel?

Het beeld dat jongeren steeds jonger de criminaliteit ingaan, leeft sterk. Maar landelijke cijfers laten een ander, genuanceerder beeld zien. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) registreerde de politie in 2025 bijna 16.000 minderjarige verdachten van een misdrijf. Dat waren er twaalf procent minder dan in 2022. Minderjarigen vormden elf procent van alle geregistreerde verdachten. Het gaat hierbij om verdachten die bij de politie in beeld kwamen, niet om een telling van alle gepleegde misdrijven.

Ook de langetermijncijfers van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) laten een daling zien. In 2005 werden 42,3 minderjarige verdachten per duizend jongeren van 12 tot 18 jaar geregistreerd. In 2024 waren dat er 12,9. De cijfers over 2024 zijn voorlopig. Daarmee is niet aangetoond dat jeugdcriminaliteit als geheel toeneemt of dat jongeren landelijk steeds jonger beginnen.

Dat betekent niet dat er geen ernstige zorgen zijn. Een dalend totaal kan samengaan met specifieke vormen van criminaliteit waarbij jonge uitvoerders worden ingezet voor zwaar geweld. Juist zulke zaken trekken de aandacht, omdat de gevolgen groot zijn en de betrokken jongeren soms nog volop in ontwikkeling zijn. Het is daarom belangrijk onderscheid te maken tussen de ontwikkeling van jeugdcriminaliteit als geheel en de manier waarop criminele netwerken bepaalde jongeren proberen te gebruiken.

Afkomst is geen verklaring op zichzelf

In het publieke debat over jeugdcriminaliteit wordt regelmatig gewezen naar jongeren met een bepaalde herkomst. Dat onderwerp verdient een serieuze bespreking, maar vraagt ook om nauwkeurigheid. In politieregistraties kunnen verschillen bestaan tussen groepen met verschillende achtergronden. Zulke verschillen vertellen op zichzelf niet waarom een jongere in criminaliteit terechtkomt. Ze zeggen evenmin iets over alle jongeren uit die groep.

Het WODC laat bijvoorbeeld zien dat het aantal geregistreerde verdachten met een Marokkaanse migratieachtergrond tussen 2018 en 2023 sterk is gedaald, zowel onder minderjarigen als onder jongvolwassenen. Dat gegeven past niet bij een eenvoudig verhaal waarin afkomst als vaste verklaring voor criminaliteit wordt gebruikt. Bij het interpreteren van cijfers moet bovendien rekening worden gehouden met leeftijd, sociaaleconomische omstandigheden, schooluitval en de manier waarop verdachten worden geregistreerd. Een verdachte is niet hetzelfde als een veroordeelde en geregistreerde criminaliteit is niet hetzelfde als alle criminaliteit die daadwerkelijk plaatsvindt.

Voor Den Haag, een stad met uiteenlopende buurten en achtergronden, is die nuance van belang. Wie criminaliteit wil aanpakken, moet kijken naar gedrag, netwerken, omstandigheden en concrete risico’s. Een jongere mag niet bij voorbaat als verdachte worden gezien vanwege zijn naam, uiterlijk of afkomst. Tegelijkertijd moeten signalen van ronseling en geweld serieus worden genomen, ongeacht wie erbij betrokken is.

Voorkomen dat de volgende jongere instapt

De gemeente Den Haag probeert met het programma Preventie met Gezag te voorkomen dat jongeren in criminaliteit belanden of daarin verder doorgroeien. In Den Haag Zuidwest werken onder meer de gemeente, politie, het Openbaar Ministerie, scholen, welzijnsorganisaties en jongerenwerk samen. De aanpak richt zich op wijken als Morgenstond, Moerwijk en Bouwlust en Vrederust. Het programma is opgezet voor een periode van tien jaar, omdat de problemen en de oplossingen tijd vragen.

De aanpak probeert risico’s eerder te herkennen en jongeren perspectief te bieden via onderwijs, werk en talentontwikkeling. Daarbij hoort ook het stellen van grenzen wanneer jongeren strafbaar gedrag vertonen. Een concreet voorbeeld is het Haagse EXIT-programma, dat jongeren helpt die uit de criminaliteit willen stappen maar niet weten hoe. Volgens de gemeente werkt EXIT met een zogenoemde fixer, die snel in kaart brengt wat nodig is om te stoppen. Dat kan hulp bij een opleiding zijn, praktische ondersteuning of begeleiding naar passende zorg. Ook jongeren met ervaring in criminaliteit denken mee over oplossingen.

Preventie betekent niet dat jongeren geen verantwoordelijkheid dragen voor hun daden. Wel betekent het dat ingrijpen niet pas hoeft te beginnen nadat iemand is aangehouden. Als een school merkt dat een leerling steeds vaker afwezig is, als ouders zien dat hun kind plotseling over geld beschikt of als een jongere onder druk wordt gezet door oudere contacten, kan tijdig handelen verschil maken. Zulke signalen bewijzen op zichzelf geen criminaliteit, maar kunnen wel aanleiding zijn om het gesprek aan te gaan en hulp te zoeken.

Kijk niet alleen naar degene op straat

De Haagse explosiezaak laat zien hoe misleidend het kan zijn om uitsluitend te kijken naar de jongere die op de plaats van het delict wordt aangehouden. De zestienjarige moest zich voor zijn aandeel verantwoorden bij de kinderrechter. Tegelijkertijd onderzocht justitie de rol van de oudere verdachte die hem volgens het OM via Snapchat benaderde en de opdracht coördineerde. Op 15 april 2026 eiste het OM tegen die verdachte vijf jaar gevangenisstraf. Een eis is geen uitspraak van de rechter; voor de actuele uitkomst van die zaak moet de berichtgeving van het OM of de rechtbank worden geraadpleegd.

De aanpak van jeugdcriminaliteit vraagt daarom om twee dingen tegelijk: duidelijk optreden tegen strafbare feiten en serieus werk maken van het voorkomen van nieuwe betrokkenheid. Dat betekent aandacht voor jongeren die risico lopen, maar ook voor de mensen die hen benaderen, onder druk zetten of gebruiken voor gevaarlijke opdrachten. Wie alleen de uitvoerder ziet, laat een deel van het netwerk buiten beeld.

De strijd tegen jeugdcriminaliteit begint niet pas bij de arrestatie. Ze begint bij de vraag wie een jongere benadert, waarom die jongere ja zegt en hoe we voorkomen dat de volgende jongen hetzelfde bericht ontvangt.

Bronnen en verantwoording

Openbaar Ministerie: Vijf jaar geëist voor inzetten minderjarige bij explosie, 15 april 2026.

Vrije Universiteit Amsterdam: Rol van sociale media bij jongeren in drugs- en geweldscriminaliteit, 1 april 2026. Het onderzoek is uitgevoerd met Erasmus Universiteit Rotterdam en het NSCR.

Gemeente Den Haag: Kwart minder aanslagen met explosieven in 2025, 25 februari 2026.

Centraal Bureau voor de Statistiek: Opnieuw minder minderjarige verdachten, 27 maart 2026.

Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum: Jeugdige verdachten van misdrijven.

Gemeente Den Haag: Preventie met Gezag en EXIT helpt jongeren uit de criminaliteit.

De cijfers over verdachten zijn politie- of justitieregistraties en geven geen volledig beeld van alle gepleegde criminaliteit. In de beschreven explosiezaak is de strafeis van het OM onderscheiden van een rechterlijke uitspraak.







Ernst Happel: zijn Haagse jaren
 

Ernst Happel, de Haagse jaren van een voetballegende

Voordat Ernst Happel de Europa Cup won, voordat hij met het Nederlands elftal de finale van het WK bereikte en voordat Willem van Hanegem hem een van de beste trainers uit zijn loopbaan noemde, stond de Oostenrijker jarenlang langs de lijn in het Zuiderpark.

Den Haag was de plek waar Happel zijn naam begon te maken.

In de zomer van 1962 kwam de voormalige Oostenrijkse international naar ADO. Hij was op dat moment nog geen wereldberoemde trainer. In Den Haag kreeg hij de tijd om een ploeg naar zijn hand te zetten. Zeven jaar later zou ADO een heel andere club zijn. Happel was geen trainer van lange toespraken. Hij was stil, eigenzinnig en veeleisend. Maar vooral zag hij voetbal anders dan veel anderen, dat merkten de spelers.

"Dan zoek je maar een plekje op de tribune

- Ernst Happel

Ernst Happel stond niet bekend om lange diplomatieke gesprekken. Dat ondervond ook de jonge Aad de Mos bij ADO. De Mos wilde hogerop en liet dat de trainer weten. Happels antwoord werd later een bekende anekdote: als De Mos ‘hoger wilde spelen’, kon hij maar beter een plekje hoog op de tribune zoeken.

De Mos verloor bij ADO de concurrentiestrijd met Aad Mansveld en Cees Weimar en vertrok in 1965 naar RVC. Jaren later werd hij zelf een succesvolle trainer.

Lex Schoenmaker was een van de jonge spelers die onder Happel doorbrak. Later zou Schoenmaker zeggen dat Happel zijn tijd ver vooruit was. Niet alleen tactisch, maar ook conditioneel. Zelfs Rinus Michels, de trainer die later het totaalvoetbal van Ajax en Oranje vorm zou geven, kwam volgens Schoenmaker bij de trainingen van Happel kijken.

Daar, in het Zuiderpark, werd iets opgebouwd want Happel bracht jonge Haagse spelers samen met ervaren voetballers en haalde ook spelers van buiten de stad naar Den Haag. Aad Mansveld, Theo van den Burch, Piet de Zoete, Lex Schoenmaker en Ton Thie werden belangrijke namen. Voorin stonden onder anderen Harry Heijnen en Kees Aarts, het werd een ploeg die zich niet zomaar liet wegzetten.

ADO eindigde in het seizoen 1964/65 als derde in de Eredivisie, achter Ajax en Feyenoord. Een jaar later gebeurde hetzelfde. ADO speelde bovendien internationaal voetbal en maakte indruk in de Intertoto. In 1966 werd opnieuw een derde plaats behaald. Het Zuiderpark kreeg in die jaren een reputatie.

Ajax en Feyenoord waren de grote clubs van Nederland, maar in Den Haag hadden ze het vaak moeilijk. Harry Heijnen groeide uit tot een publiekslieveling en ADO speelde aanvallend voetbal. De club hanteerde onder Happel onder meer het 4-2-4-systeem, met dieptepasses naar de vleugels. Het was geen toevallige opleving. Happel had van ADO een ploeg gemaakt die structureel bij de betere clubs van Nederland hoorde. Alleen die beker, die ontbrak nog.

ADO had al meerdere keren de finale gehaald. In 1959 verloor de club van VVV, daarna volgden nederlagen tegen Willem II, Fortuna '54 en Sparta. Vier verloren finales in negen jaar. Maar in 1968 moest het eindelijk gebeuren. En de tegenstander kon nauwelijks indrukwekkender zijn: Ajax.

De Amsterdammers stonden aan de vooravond van hun grote Europese doorbraak, met spelers als Johan Cruijff en Piet Keizer en Rinus Michels als trainer. Een week voor de bekerfinale stonden Ajax en ADO ook tegenover elkaar in de competitie.Daar ontstond al de nodige spanning rond de wedstrijd.

Ajax moest winnen om kampioen te worden. ADO had er belang bij dat Ajax de titel pakte, omdat de Haagse club daarmee zeker was van Europees voetbal. Er werd vooraf zelfs gespeculeerd over een merkwaardige wedstrijd. ADO verloor uiteindelijk met 2-1.

Een week later stond hetzelfde Ajax in het Zuiderpark.

Nu was er niets meer om voor te sparen en het werd een van de belangrijkste wedstrijden uit de geschiedenis van ADO. Lex Schoenmaker maakte de openingstreffer. Kees Aarts zorgde voor 2-0. Piet Keizer bracht Ajax terug tot 2-1, maar verder kwam de Amsterdamse ploeg niet. De beker was een feit voor ADO, voor het eerst.

De beelden uit het Zuiderpark zijn inmiddels voetbalgeschiedenis. Spelers op de schouders, supporters op het veld en shirts die van de lichamen van hun helden werden getrokken en in stukken werden gescheurd. De Haagse club had eindelijk afgerekend met het bekertrauma. En misschien was het passend dat juist Happel daar stond.Want de bekerwinst was niet het begin van zijn Haagse verhaal, maar het resultaat ervan.

Hij had ADO in zeven jaar veranderd van een middelmatige ploeg in een vaste subtopper en bekerwinnaar. Dat was ook precies de ontwikkeling die later de basis zou vormen voor zijn internationale carrière.

In het voorjaar van 1969 vertrok Happel naar Feyenoord.

Daar trof hij onder anderen Willem van Hanegem en die twee waren bepaald geen vanzelfsprekend duo. Van Hanegem was eigenzinnig, Happel was minstens zo eigenzinnig. Toch bleek de combinatie buitengewoon succesvol. Een jaar later won Feyenoord de Europa Cup I en vervolgens ook de wereldbeker. Van Hanegem zou later zelf uitgroeien tot een van de grootste Nederlandse voetballers van zijn generatie. Hij speelde op het WK in 1974, helaas liet hij 1978 aan zich voorbij gaan, net als Cruijff. Maar wanneer hij over Happel sprak, was de waardering groot.

“Happel was de beste

- Willem van Hanegem

De Oostenrijker was voor hem de beste trainer die hij had meegemaakt, beter nog dan Michel zei hij eens. En dan krijgt die uitspraak vanuit Den Haag misschien nog een andere betekenis, want voordat Happel met Feyenoord Europa veroverde, had hij in het Zuiderpark al laten zien wat hij kon. Hij zag kwaliteiten bij spelers, durfde jonge voetballers in te passen en bouwde een elftal dat tegen de gevestigde orde durfde te spelen.

Later zou Happel met Club Brugge Europese finales bereiken. Met Hamburger SV won hij opnieuw de Europa Cup I. En in 1978 stond hij als bondscoach van Nederland langs de lijn tijdens de WK-finale in Argentinië. Maar er was een tijd dat niemand in Den Haag dat nog wist, toen was Ernst Happel gewoon de stille Oostenrijker langs de lijn van het Zuiderpark.

Happel en het totaalvoetbal

Wie beelden terugkijkt van Feyenoord onder Ernst Happel, ziet iets opvallend moderns: verdedigers die aanvallen, aanvallers die mee verdedigen en spelers die voortdurend elkaars posities overnemen. Bij beelden van Feyenoord tegen AC Milan uit 1969/70 benoemde een Engelse commentator dit zelfs als total football. Dat is interessant, want een paar jaar later zou die term vooral worden verbonden aan Rinus Michels, Ajax en het Nederlands elftal van 1974.

Happel was niet de uitvinder van het totaalvoetbal, maar zijn Feyenoord speelde al vroeg met veel van de principes die later kenmerkend werden voor die speelstijl. Ook tactisch liep Happel voorop. In april 1970 dwong zijn 4-3-3 Ajax van Michels tot aanpassingen. Misschien is Happel daarom niet de uitvinder, maar wel een van de vergeten grondleggers van het totaalvoetbal.

“Happel is tactisch de beste trainer die ik heb meegemaakt
-Theo van Duivenbode

De trainer die ADO beter maakte, de man die naar jonge Haagse voetballers keek en iets in hen zag. De man onder wie Aad Mansveld, Lex Schoenmaker, Theo van den Burch en hun ploeggenoten uitgroeiden tot een elftal waar Ajax en Feyenoord rekening mee moesten houden. En uiteindelijk de man die op 3 juni 1968 samen met ADO de eerste grote prijs uit de clubgeschiedenis vierde.

Misschien moeten we daarom, wanneer we het hebben over Ernst Happel als voetballegende, niet beginnen in Rotterdam, Brugge, Hamburg of Argentinië.

We moeten beginnen in Den Haag.

 












DE VERDIEPING



Richard de Mos, beroep: fenomeen
 

DE VERDIEPING

Van straatvoetbal tot het Haags stadhuis

Den Haag - Richard de Mos is terug op het Haagse stadhuis. Maar wie alleen naar de politicus kijkt, mist een groot deel van het verhaal. Achter de wethouder zit een jongen uit Hoek van Holland, een voetballer, onderwijzer, Bourgondiër en Haagse jongen die al vroeg wist dat hij vooral zichzelf wilde zijn.

Richard de Mos werd op 5 mei 1976 geboren in Delft en groeide op in Hoek van Holland. Zijn moeder kwam uit Den Haag, zijn vader uit Scheveningen. De band met Den Haag ontstond daardoor al vroeg. 

Voordat politiek zijn leven ging bepalen, liep zijn route bepaald niet rechtstreeks naar het Binnenhof of het Haagse stadhuis.

Hij volgde mavo, deed de mbo-opleiding Scheepvaart en Transport en studeerde later Marketing Management aan het hbo en aan de Pabo. Tussen 1999 en 2002 werkte hij als salesmanager en expediteur. In 2002 maakte hij de overstap naar het onderwijs. Hij werd onderwijzer op De Gelderlanderschool en later leerkracht van groep 8 op basisschool De Spoorzoeker in Spoorwijk. De overstap naar het onderwijs kwam niet helemaal uit de lucht vallen. Als voetbaltrainer had hij al ervaring met kinderen. Hij zei later dat hij graag iets maatschappelijks wilde doen.

Maar er was een andere constante in zijn leven: voetbal. De jongen van het voetbalveld De Mos speelde onder meer bij Quick Steps en DUNO. ADO Den Haag werd zijn club. Jaren later, toen hij wethouder was, vertelde hij dat hij het voetballen miste.

Ik ben drie jaar geleden gestopt met voetballen, maar ik mis het wel. 

 

“

Politiek is een vak met veel borrels en als je niet uitkijkt word je moddervet. Maar de discipline voor de sportschool heb ik niet.

 

Als jongen verzamelde hij zich met vrienden op een straathoek om samen naar ADO te gaan. Een detail dat veel zegt over de manier waarop Den Haag al vroeg onderdeel van zijn leven werd. “Op die straathoek verzamelden we met vrienden om naar ADO te gaan.”

Dat is misschien wel een betere introductie van Richard de Mos dan een lange opsomming van politieke functies. Want de politicus die later dagelijks over de stad zou praten, kende Den Haag al voordat hij erover hoefde te besturen. Eerst meester, daarna politicus

De Mos werd onderwijzer. Hij stond voor een klas met kinderen en werkte later als beleidsmedewerker bij de PVV-Tweede Kamerfractie. In 2009 kwam hij zelf in de Tweede Kamer terecht. Een jaar later werd hij ook gemeenteraadslid in Den Haag. De overstap naar de politiek betekende niet dat zijn oude manier van doen verdween.

 

“

Hij verwoordde altijd het tegengeluid

-Jeugdvriend Terrence Hesselman

Hesselman kende De Mos al voordat zijn naam op verkiezingsposters stond. Toen De Mos in 2018 wethouder werd, zag zijn vriend vooral dezelfde persoon terug. De grappen waren hetzelfde gebleven, zei hij. Zijn broer Sander vatte de route misschien nog eenvoudiger samen: “Hij heeft zich van onderaf opgewerkt.”

Niet alleen politiek. Wie De Mos buiten de politiek spreekt, krijgt een ander beeld dan de man achter de interruptiemicrofoon. Hij omschrijft zichzelf als een Bourgondiër. Sauna, uit eten en het liefst Indisch eten. Zijn hobby's zijn voetbal, geschiedenis, lezen en reizen. Humor is voor hem een manier om stoom af te blazen: “Er moet gelachen worden.”

Die humor zit ook in zijn manier van werken. Toen De Mos in 2019 als wethouder een dag meeliep met Den Haag Centraal, trok hij bij een bezoek aan een winkelcentrum zijn telefoon toen hij zag dat een eerder beloofde reparatie niet goed was uitgevoerd. Hij maakte foto's van de scheve tegels.

“Vertrouwen is goed, maar controle is beter.” Het is een uitspraak die goed past bij het beeld dat in verschillende verhalen over hem naar voren komt: iemand die wil zien dat iets gebeurt en die moeite heeft met wachten als het volgens hem sneller kan.

De klap

Zijn eerste periode als wethouder duurde uiteindelijk maar ruim een jaar.

In oktober 2019 legde De Mos zijn wethouderschap neer vanwege een onderzoek naar mogelijke omkoping. In 2023 sprak de rechtbank hem vrij van corruptie; in hoger beroep volgde in 2024 opnieuw vrijspraak voor corruptie. Daarmee leek het politieke verhaal van De Mos voor een buitenstaander misschien op zijn einde te kunnen lopen. Maar hij bleef. Van 2019 tot juli 2026 bleef hij gemeenteraadslid en fractievoorzitter van Hart voor Den Haag.

Zeven jaar later, het fenomeen is terug, en hoe!

In maart 2026 werd Hart voor Den Haag opnieuw de grootste partij van Den Haag. De partij behaalde 62.878 stemmen en 16 van de 45 zetels.

In juli volgde de terugkeer naar het college.

Op 16 juli 2026 werd De Mos opnieuw beëdigd als wethouder. Hij kreeg onder meer economie, binnenstad, internationaal, Europa, strategie en lobby en het Nationaal Programma Zuidwest in zijn portefeuille.

Zeven jaar na zijn vertrek stond hij opnieuw op dezelfde plek.

Niet als dezelfde wethouder. Wel als dezelfde Richard de Mos, volgens de mensen die hem al veel langer kennen.

Maar wie naar zijn verkiezingscampagne kijkt en vervolgens naar de eerste afspraken van het nieuwe college, ziet nog iets opvallends. De Mos beloofde zijn achterban niet alleen een terugkeer naar het stadsbestuur. Op een aantal voor zijn achterban belangrijke punten zijn die beloften inmiddels ook daadwerkelijk vertaald in beleid.

Zo gaat de geplande asielopvang aan de Sportlaan niet door. De nieuwe coalitie heeft afgesproken om op die plek versneld woningbouw te realiseren. Ook wordt de verdere uitbreiding van betaald parkeren in verschillende Haagse wijken teruggedraaid.

Het zijn geen verkiezingskreten die na de verkiezingen in een la verdwenen. Het zijn afspraken die inmiddels in het coalitieakkoord staan.

Daarmee heeft De Mos iets gedaan wat in de politiek lang niet vanzelfsprekend is: een aantal zeer concrete beloften aan zijn kiezers is na de verkiezingen herkenbaar terug te vinden in de afspraken van het nieuwe stadsbestuur.

“

De Mos is de onderkoning van Den Haag

-Johan Derksen

De man die zeven jaar eerder het stadhuis verliet, kwam er door de voordeur weer binnen. 

En deze keer niet alleen als winnaar van de verkiezingen, maar ook met een aantal van de punten waarvoor zijn achterban hem naar het stadhuis had teruggestuurd.

Jeugdvriend Hesselman zei het in 2019 al: De Mos was volgens hem niet wezenlijk veranderd. Hij maakte nog steeds dezelfde grappen. Misschien is dat uiteindelijk de rode draad in het verhaal van Richard de Mos.

De jongen uit Hoek van Holland die met vrienden naar ADO ging. De meester voor de klas. De Haagse politicus die graag het tegengeluid liet horen. De man die een politieke beweging om zich heen bouwde, een zware periode doormaakte en uiteindelijk terugkeerde op het stadhuis.

En ergens tussen al die functies door bleef hij vooral voetballiefhebber, Bourgondiër en grappenmaker. Van straatvoetbal naar het stadhuis. De route van Richard de Mos liep niet recht omhoog, maar hij liep wel steeds terug naar Den Haag

DE VERDIEPING

🍽️ De 20 best beoordeelde restaurants van Den Haag: wij keken verder dan alleen de sterren.

Een restaurant met een 5,0 uit 80 reviews is natuurlijk niet automatisch beter dan een restaurant met een 4,7 uit 4.000 beoordelingen.

We hebben die publiekswaardering vervolgens waar mogelijk naast professionele bronnen gelegd, zoals Michelin, Lekker en Gault&Millau. Zo ontstaat een lijst die niet alleen kijkt naar wat recensenten vinden, maar vooral naar wat Haagse restaurantbezoekers zelf ervaren.

De voorlopige Top 20

1. EL MAMMA BBQ
⭐ 4,8 — 14.510 reviews

Veertienduizend vijfhonderdtien beoordelingen. Dat is geen gewone reviewscore meer, dat is een enorme hoeveelheid publiek bewijs. Een 4,8 overeind houden bij zo'n volume vinden wij indrukwekkender dan een 5,0 met een paar honderd beoordelingen.

2. Dekxels
⭐ 4,8 — 1.263 reviews

Aziatische fusion, kleine gerechten om te delen en een sterke reputatie voor smaak, sfeer en bediening. Ook buiten Google wordt Dekxels goed gewaardeerd en komt het restaurant hoog terug in restaurantoverzichten.

3. Ahmet Usta Den Haag
⭐ 4,8 — 874 reviews

Niet de naam die je misschien als eerste verwacht in een lijst met Haagse toprestaurants. Juist daarom interessant. Een hoge waardering gecombineerd met bijna 900 beoordelingen is moeilijk te negeren.

4. Atithi Indian Restaurant Den Haag
⭐ 4,7 — 4.375 reviews

Een mooi voorbeeld van waarom alleen naar het cijfer kijken misleidend kan zijn. 4,7 klinkt minder spectaculair dan 4,9, maar ruim 4.000 beoordelingen geven deze score een aanzienlijk gewicht.

5. Restaurant 6&24
⭐ 4,8 — 610 reviews

Een restaurant waar publiekswaardering en professionele erkenning samenkomen. 6&24 is bovendien opgenomen in de Michelin Guide.

6. Restaurant Elea
⭐ 4,8 — 465 reviews

Moderne Griekse keuken, hoge publiekswaardering en eveneens een plek in de Michelin Guide. Elea stond eerder bovendien in Lekker500.

7. UMAMI by Han Den Haag
⭐ 4,5 — 1.584 reviews

Misschien wel een van de interessantste voorbeelden in onze lijst. Een 4,5 is niet uitzonderlijk hoog, maar ruim 1.500 beoordelingen maken de score wel degelijk relevant.

8. Baladi Manouche
⭐ 4,7 — 1.409 reviews

Een Haagse publieksfavoriet met een duidelijke eigen identiteit. Libanese manouche, een hoge waardering en meer dan 1.400 beoordelingen.

9. Yuzu Dining
⭐ 4,7 — 1.006 reviews

Japanse keuken en inmiddels ruim duizend Google-beoordelingen. Daarmee heeft Yuzu niet alleen een hoge score, maar ook voldoende volume om die score serieus te nemen.

10. MEDI Restaurant
⭐ 4,7 — 907 reviews

Een sterke combinatie van een hoge waardering en bijna duizend beoordeling.

De nummers 11 tot en met 20

11. Restaurant Moose — ⭐ 4,8 | 332 reviews
Een uitstekende score, maar het lagere aantal beoordelingen maakt de positie iets kwetsbaarder.

12. Restaurant Zheng — ⭐ 4,7 | 722 reviews
Sterke publiekswaardering én opgenomen in de Michelin Guide.

13. Chefsbar Seinpost — ⭐ 4,8 | 324 reviews
Een zeer hoge score, maar met een kleinere reviewbasis.

14. Silvi Gastrobar — ⭐ 5,0 | 426 reviews
De perfecte score. 

15. Restaurant Basaal — ⭐ 4,6 | 659 reviews
Een restaurant dat naast de publiekswaardering ook professionele erkenning krijgt, onder meer via Michelin en Gault&Millau.

16. Restaurant Oogst — ⭐ 4,6 | 522 reviews
Een zaak waarbij vooral de keuken, service en aandacht voor detail worden geroemd.

17. De Basiliek — ⭐ 4,6 | 1.388 reviews
Geen spectaculaire Google-score, maar wel bijna 1.400 beoordelingen én professionele erkenning. Daarmee verdient De Basiliek absoluut een plek in deze lijst.

18. Het Haringhuisje — ⭐ 4,6 | 1.971 reviews

19. Pastanini — ⭐ 4,6 | 2.589 reviews
 

20. De Dagvisser — ⭐ 4,5 | 3.241 reviews
Misschien wel de opvallendste binnenkomer. Een 4,5 is niet uitzonderlijk hoog, maar ruim 3.200 mensen hebben hun oordeel gegeven. Dat is een serieus publiekssignaal.

 







Elco Brinkman: de kroonprins die door zijn eigen koning werd afgeschreven
 

DE VERDIEPING

Elco Brinkman: de kroonprins die door zijn eigen koning werd afgeschreven

Elco Brinkman had het allemaal. Jong, intelligent, minister op zijn 34ste en daarna fractievoorzitter van het CDA. Ruud Lubbers wees hem persoonlijk aan als zijn opvolger. Brinkman zou de nieuwe leider van het CDA worden en, zo leek het lange tijd, de volgende minister-president van Nederland. Maar toen het moment daar was, gebeurde iets wat in de Nederlandse politiek nog altijd tot de meest pijnlijke afrekeningen behoort. Vijf dagen voor de verkiezingen liet Lubbers zijn kroonprins publiekelijk vallen. Niet voor een andere partij, maar voor de nummer drie van zijn eigen lijst.

Er zijn verschillende manieren om terug te kijken op het politieke leven van Elco Brinkman, die maandag op 78-jarige leeftijd in Leiden overleed na een kort ziekbed.

Je kunt vertellen over de minister die op jonge leeftijd toetrad tot het kabinet-Lubbers. Over de CDA-fractievoorzitter. Over de politicus die in 1994 lijsttrekker werd en vervolgens verantwoordelijk werd gehouden voor de grootste verkiezingsnederlaag uit de geschiedenis van het CDA.

Maar misschien is er een ander moment dat zijn politieke carrière beter samenvat.

Niet de verkiezingsuitslag. Niet de twintig verloren zetels.Maar de stem van Ruud Lubbers.

Want Lubbers was niet zomaar een voorganger. Hij was degene die Brinkman zelf naar voren had geschoven.

De kroonprins

In 1992 maakte Lubbers op televisie bekend dat hij in Brinkman zijn opvolger als politiek leider van het CDA zag. Hij hoopte dat de partij hem ook als lijsttrekker voor de verkiezingen van 1994 zou aanwijzen.

Daarmee werd Brinkman de kroonprins van de Nederlandse politiek. Niet officieel, maar in de praktijk was de boodschap duidelijk: als Lubbers vertrekt, staat Brinkman klaar.

Dat was geen vreemde keuze.Brinkman had op dat moment al een indrukwekkende loopbaan achter zich. In 1982, op 34-jarige leeftijd, werd hij minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Hij bleef zeven jaar minister en werd daarna voorzitter van de CDA-fractie in de Tweede Kamer. Hij was jong, bestuurlijk ervaren en gold als een moderne christendemocraat. Maar een kroonprins heeft één probleem, hij moet op een dag koning worden.

En tegen die tijd was de verhouding tussen Brinkman en Lubbers behoorlijk veranderd. 

De leerling gaat zich verzetten

Brinkman begon zich steeds nadrukkelijker af te zetten tegen het beleid van het derde kabinet-Lubbers, waarin CDA en PvdA samen regeerden. Hij vond het kabinet te voorzichtig en te weinig daadkrachtig. Hij wilde een rechtsere koers en profileerde zich steeds nadrukkelijker. In 1992 trok hij naar Texel, met een groot deel van de parlementaire pers achter zich, en sprak hij over het einde van het beleid van ‘pappen en nathouden’.

‘Het speelkwartier is voorbij.’ Het was een zin die bleef hangen.

Brinkman moest de nieuwe man worden. En dus moest hij zich onderscheiden van de oude man. Daarmee ontstond een ongemakkelijke situatie: de man die hem had aangewezen als opvolger, kreeg steeds vaker kritiek van zijn eigen opvolger. Lubbers liet Brinkman een tijdlang zijn gang gaan. Maar de relatie verslechterde. Toen Brinkman een akkoord sloot met de VVD over een harde ingreep in de WAO, trok Lubbers uiteindelijk aan de noodrem. Brinkman moest zich neerleggen bij het veto van zijn premier. Het beeld ontstond dat de jonge kroonprins wel hard kon praten, maar dat Lubbers uiteindelijk nog altijd de baas was. En toch werd Brinkman daarna gewoon lijsttrekker.

De campagne die niet wilde lukken

In januari 1994 werd Brinkman vrijwel unaniem gekozen als lijsttrekker van het CDA. Meer dan 99 procent van de uitgebrachte punten ging naar hem. Maar de campagne werd een ramp. Brinkman probeerde een nieuw soort politicus te worden. Hij sprak uit het hoofd, liep over het podium en gebruikte geen spreekgestoelte. De beweging werd al snel de ‘Brinkman-shuffle’ genoemd. Het moest modern zijn, maar het werkte niet.

Daar kwam de inhoudelijke kritiek bij. Brinkman zette in op een harde koers en ook de AOW kwam in het vizier. Dat leidde tot grote onrust onder traditionele CDA-kiezers. De partij stond ondertussen voor een historische opgave. En toen kwam Lubbers.

De man die hem maakte, liet hem vallen

Vijf dagen voor de verkiezingen van 3 mei 1994 zei Lubbers in het openbaar dat hij niet op zijn eigen lijsttrekker zou stemmen. Hij zou stemmen op nummer drie van de CDA-lijst: Ernst Hirsch Ballin. De woorden waren vernietigend. De man die Brinkman ooit als zijn opvolger had aangewezen, liet nu aan Nederland weten dat hij liever iemand anders op de CDA-lijst had. Het was niet alleen een persoonlijke afwijzing. Het was politiek een enorme klap.

De Rijksuniversiteit Groningen beschrijft hoe Lubbers eerder al afstandelijke signalen had afgegeven. Zo had hij gezegd dat PvdA-leider Wim Kok het als premier ‘niet slechter’ zou doen dan Brinkman en benadrukt dat hij Brinkman nooit als nieuwe premier had voorgedragen, maar slechts als degene die leiding moest geven aan het CDA. Vlak voor de verkiezingen maakte hij vervolgens zijn voorkeur voor Hirsch Ballin bekend. De kroonprins stond ineens zonder koning, en misschien nog pijnlijker: zonder de steun van degene die hem ooit op de troon had gezet.

De rekening kwam op 3 mei, de verkiezingsuitslag was desastreus.

Het CDA verloor twintig zetels en ging van 54 naar 34 zetels. Voor het eerst sinds de oprichting van het CDA kwam de partij in de oppositie terecht. De PvdA werd de grootste partij en Nederland kreeg uiteindelijk het eerste paarse kabinet, zonder christendemocraten. Brinkman legde in augustus zijn functie neer. De man die ruim twee jaar eerder nog als de toekomstige minister-president van Nederland werd gezien, verliet het politieke toneel.

Niet als premier, niet als minister. Maar als de partijleider die verantwoordelijk werd gehouden voor een historische nederlaag. Het moet een van de hardste politieke afgangen uit de Nederlandse naoorlogse geschiedenis zijn geweest. Maar Brinkman was nog lang niet klaar en juist daar wordt het verhaal van Elco Brinkman interessanter. Want wie zijn leven uitsluitend door de lens van 1994 bekijkt, doet hem tekort.

Brinkman verdween niet.

Hij verhuisde als het ware van het Binnenhof naar de boardroom.

In 1995 werd hij voorzitter van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf, dat later opging in Bouwend Nederland. Bijna twintig jaar lang werd hij het gezicht en de belangenbehartiger van de Nederlandse bouw- en infrasector. Hij speelde een belangrijke rol bij de oprichting van Bouwend Nederland in 2004 en bleef tot 2013 voorzitter. Na de parlementaire enquête naar de bouwnijverheid speelde hij een belangrijke rol bij het herstel van het vertrouwen in de sector. Ook was hij betrokken bij de Crisis- en herstelwet, die tijdens de economische crisis investeringen moest versnellen. Daar bleek een andere Brinkman.

De politicus die in 1994 was gestruikeld over zijn ambitie en politieke positionering, groeide uit tot een invloedrijke bestuurder. Hij werd bovendien voorzitter van het bestuur van het ABP en keerde in 2011 terug naar Den Haag als CDA-fractievoorzitter in de Eerste Kamer. Die functie hield hij tot 2019 en was in feite een soort politieke comeback. Zelf noemde hij zijn terugkeer jaren later tegenover Trouw een vorm van eerherstel.

En dan was er Janneke

Naast de politieke en bestuurlijke carrière was er een ander leven, veel verder verwijderd van het Binnenhof.

Janneke.

Elco Brinkman trouwde in 1971 met Janneke Brinkman-Salentijn. Zij studeerde biologie, werkte korte tijd als docent en ontwikkelde zich later tot kunstenaar, gespecialiseerd in botanische aquarellen. Haar werk werd breed bekend en verscheen onder meer in boeken, tijdschriften en op allerlei producten. Het is bijna een wonderlijk contrast.

Hij: politiek, bestuur, bouw, onderhandelingen, macht. Zij: bloemen, planten, verf en papier. Maar achter dat contrast zat een huwelijk dat meer dan een halve eeuw standhield. Ze kregen drie kinderen.

In interviews vertelde Janneke dat Elco ook tijdens de zwaarste periodes in zijn politieke leven opgewekt kon blijven. Toen hij ernstig ziek werd, waren ze er voor elkaar. Misschien zegt dat iets over de man achter de politicus, want de nederlaag bleef.

Toch bleef 1994 aan Brinkman kleven.

Dat is begrijpelijk. Wie als kroonprins wordt aangewezen en vervolgens in enkele maanden tijd van gedoodverfde premier verandert in de leider van een partij die twintig zetels verliest, draagt zo'n geschiedenis met zich mee. Maar het is te eenvoudig om te zeggen dat Brinkman simpelweg ‘de man van de mislukte opvolging’ was, want de geschiedenis was ingewikkelder. Hij maakte zelf fouten. Hij koos bewust voor een scherpere koers. Hij overschatte misschien de aantrekkingskracht van zijn moderne politieke stijl. Het CDA raakte tijdens zijn campagne verdeeld en vervreemdde kiezers.

Maar boven dat alles hing de merkwaardige rol van Lubbers. Hij had Brinkman groot gemaakt. En hij was uiteindelijk ook degene die hem liet vallen. Dat maakt de politieke ondergang van Brinkman zo bijzonder, het was niet alleen een kroonprins die de troon niet haalde. Maar het was een kroonprins die op het beslissende moment door zijn eigen koning werd losgelaten. En misschien is dat wel de reden dat 1994, ruim dertig jaar later, nog altijd zo'n fascinerend hoofdstuk uit de Nederlandse politieke geschiedenis is. Elco Brinkman kreeg uiteindelijk geen plaats in het Torentje, hij kreeg iets anders: een tweede leven. Als bestuurder, als belangenbehartiger, als bouwer van bruggen tussen politiek en bedrijfsleven en uiteindelijk opnieuw als politicus.

De man die ooit door Lubbers was aangewezen om Nederland te leiden, werd uiteindelijk vooral de man die jarenlang namens een van de grootste economische sectoren van Nederland aan tafel zat.

De kroonprins werd geen koning, dat is meestal het lot van kroonprinsen, maar ook voor Brinkman ging het leven verder.




Van Hofleverancier naar faillissement: het einde van Bakker Klink

Pretium viverra suspendisse potenti nullam ac tortor. Turpis egestas sed tempus urna et pharetra pharetra massa massa.

Elementum curabitur vitae nunc sed velit dignissim sodales ut eu. Sem fringilla ut morbi tincidunt augue. Vel orci porta non pulvinar neque laoreet suspendisse.

 

 

 

 

 

VOORBURG – Soms verdwijnt er bij een faillissement meer dan een bedrijf. Soms verdwijnt er een naam die onderdeel is geworden van een stad. Bakker Klink was zo'n naam. Sinds 1795 droeg de bakkerij die naam. In het pand aan de Herenstraat werd volgens de eigen geschiedenis al sinds 1612 brood gebakken. In 2022 werd Klink opnieuw Hofleverancier. Vier jaar later viel het doek.

Er zijn maar weinig ondernemers die kunnen zeggen dat hun bedrijf ouder is dan het Koninkrijk der Nederlanden.

Bakker Klink kon dat.

Sinds 1795 werd onder de naam Klink brood en banket verkocht in Voorburg. De geschiedenis van de bakkerij gaat volgens het bedrijf zelf zelfs terug tot 1612, toen op de plek aan de Herenstraat al een bakkerij gevestigd was. Het bedrijf groeide in de loop der eeuwen mee met Voorburg en Den Haag en had uiteindelijk acht winkels in de regio.

Klink maakte van zijn geschiedenis bovendien geen geheim.

Het Klinkertje, een rijk gevuld brood dat rond 1800 ontstond, werd een eigen specialiteit. In 2020 vierde de onderneming haar 225-jarig bestaan. Er werd een magazine gemaakt, klanten werden bij de geschiedenis betrokken en de onderneming presenteerde zich nadrukkelijk als een bakkerij waar traditie en ondernemerschap samenkwamen.

En toen kwam 2019.

De nieuwe eigenaar

In september van dat jaar nam Max van der Zijden Bakker Klink over. Van der Zijden kwam zelf uit een bakkersfamilie en wilde de historische onderneming verder uitbouwen.

Een van zijn persoonlijke doelen was het opnieuw verkrijgen van het predicaat Hofleverancier. Dat lukte.

Op 30 juni 2022 kreeg Klink het predicaat opnieuw uitgereikt. Het was de tweede keer dat de onderneming deze koninklijke erkenning kreeg. In 1995 had de toenmalige eigenaar Klomp het predicaat al ontvangen. Na de overname moest opnieuw een aanvraag worden gedaan.

Van der Zijden was zichtbaar trots.

Klink bakte volgens hem al lange tijd voor het paleis. Om de hernieuwde erkenning te vieren bracht hij persoonlijk een taart naar het Noordeinde.

Het beeld kon nauwelijks mooier.

Een historische Voorburgse bakkerij.
Een nieuwe eigenaar uit een bakkersfamilie.
Acht winkels.
Een koninklijke erkenning.
En een geschiedenis van meer dan twee eeuwen.

Maar achter dat mooie verhaal veranderde de werkelijkheid.

De rekening van het ambacht

In juni 2026 werd MAX! Retail B.V., de onderneming achter Bakker Klink, door de rechtbank Den Haag failliet verklaard. Als curator werd mr. S.H. Broeseliske aangesteld. Het insolventienummer is F.09/26/224. Bij het faillissement waren 43 medewerkers betrokken.

Op papier was het een faillissement.

Voor de klanten was het vooral een schok.

De winkels bleven aanvankelijk open. De oven bleef draaien. Het brood lag in de schappen. Maar niemand wist hoe lang dat nog zo zou zijn.

De curator moest op zoek naar een toekomst voor het bedrijf.

Die toekomst kwam er gedeeltelijk.

Bakkerij Van Maanen nam uiteindelijk drie voormalige Klink-vestigingen over. Daarmee konden een aantal winkels en arbeidsplaatsen behouden blijven. Andere vestigingen verdwenen definitief.

De naam Klink is daarmee niet overal onmiddellijk verdwenen.

Maar het bedrijf zoals generaties klanten het kenden, bestaat niet meer.

Wat ging er mis?

Dat is de vraag die boven dit faillissement hangt.

En hier wordt het interessant.

Want voormalig eigenaar Max van der Zijden heeft zelf een behoorlijk duidelijke verklaring gegeven.

Volgens hem liepen de kosten voor energie, grondstoffen en personeel sterk op. Tegelijkertijd vond hij dat hij de hogere kosten onvoldoende kon doorberekenen aan de klant. De cao-lonen waren volgens Van der Zijden in vier jaar tijd ongeveer 30 procent gestegen.

Daar kwam een ander probleem bij.

De bakkerij werkte met gasovens. Een overstap naar elektriciteit zou volgens Van der Zijden ongeveer een ton hebben gekost voor een nieuwe elektriciteitsaansluiting. Hij koos er daarom niet voor om die investering te doen.

Ook op de producten zelf wilde hij niet te veel bezuinigen.

Een moorkop moest volgens hem een moorkop blijven.

Niet kleiner. Niet minder kwaliteit.

Dat klinkt sympathiek.

Maar een bakkerij moet uiteindelijk niet alleen lekker brood maken. Er moet ook geld overblijven.

Niet duurder willen worden

Daar lijkt een van de grote dilemma's van Klink te hebben gezeten.

De ondernemer wilde de stijgende kosten niet volledig aan de consument doorberekenen uit angst klanten kwijt te raken.

Tegelijkertijd wilde hij niet aan kwaliteit of gewicht tornen.

Dat is een sympathieke ondernemershouding.

Maar het is ook een gevaarlijke rekensom.

Want wanneer energie, grondstoffen, lonen en andere bedrijfskosten blijven stijgen, ontstaat er een steeds kleiner verschil tussen de verkoopprijs en wat het product daadwerkelijk kost.

De Nederlandse bakkersbranche waarschuwde eerder al voor die ontwikkeling. De brancheorganisatie NBOV ziet het faillissement van Klink dan ook als een teken van de druk waaronder ambachtelijke bakkerijen staan.

Achteraf zijn er altijd lessen

Van der Zijden heeft inmiddels ook zelf teruggekeken.

Hij vroeg zich af of hij meer had moeten samenwerken met andere bakkers bij de inkoop.

Dat is een interessante constatering.

Want Klink had juist een omvang bereikt waarbij gezamenlijke inkoop mogelijk voordelen had kunnen opleveren. Tegelijkertijd bleef het bedrijf zich nadrukkelijk presenteren als ambachtelijke bakker met een eigen identiteit en eigen producten.

En dan komt de harde werkelijkheid van ondernemen om de hoek kijken.

Traditie is waardevol. Maar traditie betaalt geen rekening.

Van Hofleverancier naar faillissement

Misschien is dat wel de wrangste tegenstelling in het verhaal van Bakker Klink.

In 2022 vierde het bedrijf nog trots het opnieuw verkregen predicaat Hofleverancier.

Vier jaar later moest dezelfde onderneming faillissement aanvragen.

Het predicaat Hofleverancier was geen garantie voor financieel succes. Het is een erkenning voor ondernemingen met een belangrijke plaats in hun regio en een lange staat van dienst. Klink voldeed daar zonder twijfel aan.

Maar een rijke geschiedenis maakt een onderneming niet immuun voor veranderende marktomstandigheden.

Dat geldt misschien wel sterker voor een bakkerij dan voor veel andere bedrijven.

Brood moet iedere dag opnieuw worden gemaakt.

De oven moet iedere dag aan.

Medewerkers moeten iedere maand worden betaald.

De huur komt iedere maand.

Energie moet worden afgerekend.

Grondstoffen moeten worden ingekocht.

En de klant bepaalt uiteindelijk of de prijs op het kaartje nog acceptabel is.

Drie winkels gered

De gedeeltelijke doorstart voorkomt dat het verhaal volledig eindigt.

Van Maanen nam drie winkels over en heeft daarmee een deel van het bedrijf en een deel van de werkgelegenheid behouden. Van Maanen zelf bestaat al sinds 1907 en heeft inmiddels tientallen vestigingen.

Voor klanten betekent dat dat niet iedere Klink-winkel uit het straatbeeld verdwijnt.

Maar voor de onderneming achter de naam Klink is het verhaal anders.

Die is failliet.

De curator heeft de bezittingen verkocht en een deel van de activiteiten is overgegaan naar een andere bakker.

Een onderneming die sinds 1795 bestond, heeft daarmee haar zelfstandige bestaan beëindigd.

Wat blijft er over?

De Herenstraat blijft.

Het pand blijft.

De geur van brood blijft misschien.

En een aantal winkels blijft zelfs bestaan.

Maar de naam die daar meer dan twee eeuwen aan verbonden was, wordt een herinnering.

Een herinnering aan Klinkertjes, tompoucen, verjaardagstaarten en zaterdagmorgen bij de bakker.

Aan medewerkers die jarenlang gezichten van de winkel waren.

Aan een ondernemer die in 2022 nog trots een koninklijk predicaat mocht ontvangen.

En aan een bedrijf dat uiteindelijk niet ten onder ging omdat mensen geen brood meer wilden eten, maar omdat het steeds moeilijker werd om ambachtelijk brood voor een betaalbare prijs te maken én daar tegelijkertijd een gezond bedrijf van te maken.

Dat is misschien wel de belangrijkste les van het faillissement van Bakker Klink.

Een bedrijf kan 231 jaar oud zijn en toch op één dag kwetsbaar blijken.

En soms is het niet de oven die uitgaat.

Maar de rekensom die niet meer klopt.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.